Navigate Up
Sign In
Leiden University

Het beleg en ontzet van Leiden

Van oktober 1573 tot 3 oktober 1574 belegerde het Spaanse leger de stad Leiden. De stad kon alleen worden bevrijd door de wijde omgeving onder water te zetten, waardoor de Spanjaarden het beleg opbraken. Twee factoren maken het verhaal van het volhouden van de stad buitengewoon spannend. In de eerste plaats de interne verdeeldheid binnen Leiden: er waren wakkere mannen die het beleg ten koste van goed en bloed wilden volhouden, en er waren anderen die liever een akkoord met de vijand sloten. In de tweede plaats duurde het heel erg lang voor het water de stad Leiden bereikte en zo hoog kwam te staan dat de vijand zich belaagd voelde. Dat stelde het geduld en het uithoudingsvermogen van de hongerende bevolking zwaar op de proef en duizenden mensen stierven dan ook door uithongering of de pest.

 

Pieter van Veen, Leidens ontzet, 1615, Stedelijk Museum de Lakenhal, Leiden. Pieter van Veen schilderde deze scène naar het voorbeeld van zijn broer, Otto van Veen, die in 1574 al een schilderij maakte met dit onderwerp. Geen van beiden hadden zij het beleg zelf meegemaakt, maar zij baseerden zich wellicht op de informatie van hun oudere broer Simon, die op het moment van het beleg wel in Leiden verbleef. Honger is het centrale thema; het schilderij legt het moment vast van de uitdeling van haring en brood door de geuzen.  

Een uitzichtloze strijd?

Het Spaanse leger dat in oktober 1573 de stad Leiden insloot was niet van plan de stad met beschietingen en bestormingen te veroveren. In juli 1573 was het leger er in geslaagd de stad Haarlem in te nemen, maar dat had een hoge prijs gekost. Die belegering had acht maanden geduurd en naar schatting 8000 soldaten het leven gekost. Daarna had het leger het beleg voor Alkmaar geslagen en vervolgens bestormd. Maar de stad had de aanvallen weten af te slaan en uiteindelijk was het leger afgedropen omdat grote delen van de omgeving onder water werden gezet: bij Alkmaar begint de victorie, zeiden de opstandelingen. De in de Nederlanden beruchte hertog van Alva werd dan ook in 1573 door de Spaanse koning teruggeroepen: Alva’s politiek van confrontatie had negatief uitgepakt. Wel gaf hij nog aan Francisco de Valdez het bevel gaf om Leiden in te sluiten. Met de nieuwe landvoogd, Luís de Requesens, begon een gematigder politiek. Maar wilden de Spanjaarden de Opstand in Holland en Zeeland onderdrukken dan zat er echt niets anders op dan de ene stad na de andere te veroveren, hoeveel geld en manschappen dat ook zou kosten. Requesens zag ook wel in dat het een zware opgave zou worden. Zeker als de omgeving van de stad geïnundeerd was, waren de steden evenzovele eilanden die alleen veroverd konden worden met een sterke vloot. En juist daaraan ontbrak het de landvoogd. Kort na het mislukken van het beleg van Alkmaar had de koninklijke vloot een nederlaag geleden tegen de vloot van de rebellen in de Slag op de Zuiderzee. De koninklijke stadhouder van Holland, de graaf van Boussu, was daarbij zelfs door de rebellen gevangen genomen. Ook het landleger van de Spaanse koning was lang niet altijd zo goed uitgerust als men zou geloven. Zo had het leger voor het beschieten van steden een zwaar kaliber kanonnen nodig en deze ontbraken in het beleg van Leiden. Met het beleg van Leiden hoopte de Spaanse legerleiding dan ook de stad door uithongering tot overgave te dwingen. Gemakshalve spreken we van het Spaanse leger, maar in feite waren de Spanjaarden in de minderheid: in het leger van Filips II dienden veel Duitse huurlingen, maar ook huurlingen uit de Nederlanden, of zij nu Frans of Nederlands spraken.

Aanvankelijk sloeg de Leidenaren de schrik om het hart toen zij moesten vaststellen dat zij aan de beurt waren om het Spaanse leger te weerstaan. Iedereen wist drommels goed hoe dat leger te keer kon gaan als het de stad goedschiks of kwaadschiks in zijn handen kreeg. Mechelen, Zutphen, Naarden en Haarlem waren er de afschuwwekkende voorbeelden van. Maar toen de eerste schok verwerkt was, vatte men moed: de stad was goed voorzien van etenswaren, omdat die allemaal bestemd waren geweest voor het belegerde Haarlem. Die voorraden kwamen nu goed van pas. Bovendien had men een groot vertrouwen in prins Willem van Oranje, de ‘eigen’ stadhouder van de rebellen, die ongetwijfeld alles in het werk zou stellen om de stad te ontzetten, zoals hij dat ook met Alkmaar had weten te doen. Toen een van de opperbevelhebbers in Noord-Holland tijdens het beleg van Alkmaar de prins eens mismoedig per brief vroeg of de prins nou eindelijk eens een verbond met een machtige bondgenoot had gesloten, liet de prins hem in zijn brief aan de bevelhebbers van het Noorderkwartier van 9 augustus 1573 subtiel twee dingen weten. In de eerste plaats had de prins geen verbond met een wereldlijk potentaat gesloten, maar wist hij zich vast verenigd en gesteund door een verbond met de ‘potentaet der potentaeten’, met de almachtige God zelf. In de tweede plaats gaf de prins een heel zakelijke inschatting van de situatie: in aanmerking genomen dat de Spanjaarden in het drassige Holland zoveel mannen hadden verloren, hoeveel mannen zou het hun dan niet kosten wanneer al die vrije Hollandse steden met geweld er onder gebracht moesten worden? Daarmee doelde de prins op Hoorn en Enkhuizen, Alkmaar en Medemblik, Leiden en Delft, Rotterdam en Dordrecht en ga zo maar door. Had de prins een ‘masterplan’ in zijn hoofd, meende hij werkelijk dat een combinatie van Hollands eigen potentieel en buitenlandse hulp een kans van slagen had?

Het eerste beleg

De stad Leiden, die tijdens het beleg tussen de veertien- en vijftienduizend inwoners telde, kreeg ieder jaar, op 10 november, vier burgemeesters. Zij werden gekozen uit en door de Veertigraad, een soort gemeenteraad van veertig personen die voor hun leven waren gekozen. In de standenmaatschappij die elke staat toentertijd was, waren dit natuurlijk alleen mensen van een zekere welstand. De welgestelde lieden waren echter niet degenen in wie het vuur van de Opstand het hardste brandde. Toen de stad zich in 1572 voor prins Willem van Oranje had verklaard, was dat aan de burgerij te danken geweest en niet aan het stadsbestuur. Bij de burgemeestersverkiezing van 1573 kwam als voorzittend burgemeester een man aan het bewind die tot de haviken behoorde: Pieter van der Werff. Zijn vader was om zijn doopsgezinde geloof ter dood gebracht en Van der Werff behoorde tot degenen die de prins en de zaak van de Opstand door dik en dun wilden steunen. Zijn invloed was wel nodig ook, want zijn drie collega-burgemeesters, Cornelis van Noorden, Cornelis van Zwieten en Jan Halfleiden, hadden eigenlijk liever op goede voorwaarden de stad overgegeven. De lauwheid van die andere burgemeesters was een doorn in het oog van de militaire gouverneur van de stad, Noyelles. Dit was een edelman uit de Zuidelijke Nederlanden, een groot liefhebber van wijntje en trijntje, die zich geen blad voor de mond nam. In een door hem verzonden brief schreef hij dat de drie lauwe burgemeesters het best opgehangen konden worden. Toen deze brief in handen kwam van Valdez, was deze zo leep de brief aan de burgemeesters te sturen, zodat deze konden zien hoe hun militaire gouverneur over hen dacht.

Het insluiten van de stad was in enkele weken gebeurd. Toch bleven er mogelijkheden door de waterrijke omgeving van de stad om tussen de linies door te komen. Toch bleven er gedurende het hele beleg mogelijkheden om boden in en uit de stad te sturen, al was dit natuurlijk een levensgevaarlijke zaak, die moed en voorzichtigheid vereiste en een grote kennis van de omgeving. Naarmate het beleg echter langer duurde, groeiden ook de ongerustheid en ontevredenheid in de stad. Waar moest dit alles op uitlopen? Wat voor kans maakte men tegen een zo machtig vorst als de koning van Spanje? De belegeraars en hun geestverwanten probeerden van die ontevredenheid gebruik te maken door de stad de voordeligste voorwaarden van overgave te bieden: de protestanten zouden de tijd krijgen om het land te verlaten en de koning zou de stad genadig in zijn gehoorzaamheid aannemen. Tot degenen die de publieke opinie op deze manier probeerden te beïnvloeden behoorden ook de zogenaamde glippers, de Leidenaren die trouw wilden blijven aan hun wettige vorst en aan het katholieke geloof. Trouw aan de Spaanse koning zou in feite neerkomen op verlies van de politieke vrijheid en het verlies van gewetensvrijheid. Bovendien hadden de glippers, die natuurlijk ook vertrouwd waren met de regio, het Spaanse leger aanwijzingen gegeven hoe de insluiting het best kon gebeuren. Daarmee hadden zij in de woorden van onze grote negentiende-eeuwse kenner van de Tachtigjarige Oorlog, Robert Fruin, ‘evenveel schade aangericht als de Spanjaarden met hun wapens’. Waar op het aankwam was: hoeveel geloof aan deze fraaie voorspiegelingen werd gehecht door het stadsbestuur en andere mensen die aan het hoofd van de verdediging van Leiden stonden.

Wakkere mannen maar mislukt ontzet

Behalve het in meerderheid lauwe stadsbestuur werd Leiden verdedigd door een aantal mannen die bereid waren voor het behoud van Leiden en de Opstand te strijden en te sterven. Als officieel vertegenwoordiger van de prins van Oranje was Dirk van Bronkhorst aangesteld. Hij wist zich gesteund door Jan van der Does, heer van Noordwijk, een edelman die toegang had tot de Staten van Holland en ook tot de vergaderingen van het Leidse stadsbestuur. Hij was een nog jonge vent die gestudeerd had aan de universiteit van Dowaai en die zowel met de pen als met het rapier goed overweg kon. Hij had gekozen voor de prins van Oranje en als hij eenmaal gekozen had, was het ook een man op wie men bouwen kon. Zijn neef Jacob van der Does was uit hetzelfde hout gesneden: onverzettelijk en strijdbaar.

Nadat de insluiting van de stad een half jaar had geduurd, leken de pogingen van de prins om de stad te ontzetten succes te krijgen. Vanuit het Duitse Rijk hadden de broers van de prins, Lodewijk en Hendrik van Nassau, een leger de Nederlanden binnengevoerd dat bedoeld was om de vijand van Leiden weg te lokken. In eerste instantie scheen dat ook te lukken: Francisco de Valdez brak het beleg op en trok oostwaarts, de vijand tegemoet. Maar hij hoefde met zijn troepen niet eens aan de gevechten deel te nemen. Een ander Spaans leger, onder leiding van Sancho d’Avila, bracht op 14 april 1574 het leger van de Nassaus op de Mookerheide een verpletterende nederlaag toe, zo verpletterend dat de lichamen van Lodewijk en Hendrik niet teruggevonden zijn. Valdez kon dus aan het hoofd van zijn leger naar Leiden terugkeren. Na zijn vertrek waren de Leidenaren helaas overgegaan tot de orde van de dag, alsof er niets aan de hand was. In plaats daarvan hadden zij beter de stad opnieuw van voorraden kunnen voorzien en zich meester kunnen maken van de Spaanse schansen, of deze in ieder geval kunnen slopen. Het enige wat het stadsbestuur had gedaan was het wegsturen van Noyelles, de eigengereide militaire gouverneur.

Het tweede beleg

Tot verbijstering van de Leidenaars bleek de vijand in de nacht van 25 op 26 mei weer in het veld om de stad te staan. Met zes- tot zevenduizend man sloot de vijand de stad steeds nauwer in. In harde gevechten wist het koninklijke leger zich meester te maken van Alphen aan den Rijn, waarbij 600 prinsgezinden werden gedood en 400 gevangen. Tegelijkertijd liet Valdez ook het platteland ver ten zuiden van Leiden zijn aanwezigheid voelen, zodat ook steden als Delft, Rotterdam en Vlaardingen flink in de rats zaten. Op 31 mei viel de Maaslandssluis in Spaanse handen, waarbij Filips van Marnix van Sint-Aldegonde, voornaamste adviseur van de prins, gevangen werd genomen. Op dezelfde dag moesten alle ingezetenen van Leiden een nieuwe eed van trouw afleggen aan de prins van Oranje en de Staten. Het was duidelijk dat het erom zou gaan spannen. Natuurlijk werden er van tijd tot tijd uitvallen gedaan en gevechten geleverd, maar ook de belegerden wisten dat het een kat-en-muisspel zou worden waarin geduld en volharding de belangrijkste voorwaarden van succes zouden zijn. De schermutselingen konden bovendien averechts uitpakken en daarom werd met een keur van 21 juni het schermutselen verboden. Maar ruim een week later was het Jan van der Does zelf die aan het hoofd stond van een uitval – een prima gelegenheid voor de belegerden om hun moed te tonen en te laten zien dat handwerkslieden net zo goed kunnen vechten als soldaten. Afgehakte hoofden en oren waren bij veilige terugkeer in de stad het lugubere bewijs van hun dapperheid. En het geduld van de kat werd wel flink op de proef gesteld. Francisco de Valdez was weliswaar de bevelhebber van de Spaanse troepen, maar formeel diende hij ondergeschikt te zijn aan de koninklijke stadhouder van Holland. Nadat stadhouder Boussu in de Slag op de Zuiderzee in gevangenschap was geraakt, was als nieuwe stadhouder van Holland en Zeeland de heer van Laroche benoemd, een Zuidnederlands edelman uit het geslacht Lannoy. Deze twee heren lagen elkaar niet en wilden graag elk de eer op hun naam schrijven van Leiden te hebben teruggebracht onder de koning. Zo kwam het dat zij elkaars onderhandelingen dwarsboomden. Valdes keek met Spaanse arrogantie neer op de Nederlandse edelman, terwijl Laroche niets moest hebben van de Spanjaard van gewone komaf. Op een van de vredesvoorstellen liet Jan van der Does een antwoord geven dat zijn klassieke scholing verried. Met een klassiek citaat antwoordde hij op de mooie praatjes van de belegeraar: fistula dulce canit, volucrem dum decipit auceps, de vogelaar is zoet in het pijpen, om het vogeltje te grijpen. En tot onderhandelingen kwam het niet en zou het ook niet komen, zeker niet zolang mannen als Van der Werff en Van der Does het voor het zeggen hadden.

Honger en gemor

Dat wil niet zeggen dat alle Leidenaren pal achter de leiding stond, zeker niet toen de levensmiddelen schaars begonnen te worden. Maar ook hier is voorzichtigheid geboden om niet melodramatisch te worden en heel Leiden te zien kreperen van de honger. De honger trof vooral de armen. Pas in juli 1574 gelastte het stadsbestuur alle levensmiddelen in de stad te inventariseren. Alleen daar werden levensmiddelen in beslag genomen waar mensen veel meer in huis hadden dan voor hun normale onderhoud nodig was. Die etenswaren werden bovendien niet zomaar uitgedeeld, maar verkocht of gegeven in ruil voor werken aan de vestingwallen. Onder de wallen, onder de bescherming van het Leids geschut, graasde nog vee en groeide nog groente. Pas begin augustus kwamen er voorschriften die het gebruik van vlees en groente moesten reguleren. Op 27 augustus deed zich het eerste oproer voor bij mensen die het niet meer zagen zitten. Ze eisten eten of een paspoort. Dat leidde tot nieuwe maatregelen om in de nood van de armen te voorzien, maar principieel werd er niet toegegeven. Wel hadden drie burgers de moed om een missie naar de prins te aanvaarden. Al op 30 augustus waren ze weer in de stad terug met brieven van de Staten waaruit een onverzettelijke toon sprak: de dijken waren doorgestoken om Leiden te redden. Dit goede nieuws moest moed geven – een dag later bleek het koren op en moest de bevolking het voortaan met vlees alleen zien te redden. De situatie in de stad werd bovendien ernstig verslechterd doordat de pest uitbrak, die toen in heel Holland heerste. En juist de ondervoede mensen waren bevattelijk voor deze ziekte, zodat tallozen ten grave werden gedragen, met name uit de lagere klassen.

Noodmunt, Stedelijk Museum de Lakenhal, Leiden. Tijdens het beleg was de Leidse overheid gedwongen tijdelijk noodgeld te slaan.

 

Volhouden of toegeven?

Als zich vandaag de dag een crisis voordoet, stelt de overheid doorgaans meteen een crisiscentrum in, waar alle betrokkenen bijeen zijn die van belang zijn voor de besluitvorming. Tijdens het beleg fungeerde het stadhuis als crisiscentrum. Daar zetelde de vertegenwoordiger van de prins, Dirk van Bronkhorst, die alles afdeed met ‘het gerecht’, dat wil zeggen burgemeesters en schepenen. De vroedschap kwam slechts eens in de veertien dagen bijeen. Op 5 september 1574, toen de nood behoorlijk hoog gestegen was, kwamen er opnieuw twee brieven binnen met vredesvoorstellen. De eerste was van 3 september en was gestuurd door Johan van Mathenesse, een katholieke uitgeweken Leidenaar. De tweede was van 4 september en geschreven door Francisco de Valdez. Dat was aanleiding tot het beleggen op 6 september van een grote vergadering, een crisisberaad, van alle mensen die er in de stad toe deden: het gerecht en de veertigraad, de edelen, de rijkste burgers, de baljuw van Rijnland, de kapiteins en wachtmeesters van de schutterij. Pieter van der Werff zat de vergadering voor omdat Bronkhorst al stervende was. Daar sprak Jacob van der Does zich vurig uit voor het volhouden tegen de vijand – en hij hield zijn gehoor het lot van Mechelen, Zutphen, Naarden en Haarlem voor. Jan van der Does en enkele andere edelen stonden pal achter hem. Maar van de rest wilde een grote meerderheid onderhandelen. Intussen zaten de koningsgezinden in de stad ook niet stil. Zij zonden een bode naar de stadhouder, de heer van Laroche, die op zijn beurt een brief liet afgeven bij de Rijnsburgerpoort. Tableau! Een derde brief met voorstellen tot een akkoord leidde tot een tweede grote vergadering, een tweede crisisberaad, op 8 september. Daar moest Van der Werff meedelen dat de wakkere Bronkhorst was overleden. Gelukkig kreeg deze in Jacob van der Does een waarnemend gouverneur als opvolger. In het gekrakeel tussen voor- en tegenstanders van de onderhandelingen was het de stadssecretaris Jan van Hout die voor een zekere orde zorgde. Hij wilde dat iedereen afzonderlijk sprak, zodat hij precies kon opschrijven wie wat zei. En toen bonden velen in… want niemand wilde bij een eventueel succesvol doorstaan beleg te boek staan als een weifelaar die het op een akkoord met de vijand had willen gooien. Jan van der Does sprak zich uit tegen het schrijven van brieven aan Valdez en Laroche, maar de brieven werden toch geschreven. Overigens een sterk staaltje van inspraak in de praktijk, van ‘meeste stemmen gelden’ zoals men dat zelden in de vroegmoderne tijd meemaakt. Door de correspondentie met de verschillende legerleiders kwam echter ook voor de belegerde Leidenaren de tweedracht tussen beiden aan het licht.
        Op 11 september hoorden de Leidenaren vanuit het zuiden hevig schieten: later zou blijken dat het ging om de controle over de Landscheiding, de lange hooggelegen weg die Rijnland afscheidt van Delfland en Schieland en die doorgegraven moest worden om het water in Rijnland te doen rijzen. Drie boden werden uit de stad naar de prins gestuurd, dwars door de vijandelijke linies, om van hem zijn orders te vernemen. Ondanks de hoon van de Leidse katholieken en ondanks de ontevredenen die met enkele tientallen de raadzaal van het stadhuis binnendrongen om hun ongenoegen te uiten, gaf de defensieleiding geen krimp. In de nacht van 15 op 16 september keerden de boden van bij de prins terug. Oranje had Jan en Jacob van der Does beiden als zijn commissarissen benoemd, hij meldde dat de Landscheiding doorgestoken was en riep de Leidenaren op om vol te houden. Om het moreel hoog te houden werd die brief de volgende dag in de stad voorgelezen. Leiden mocht niet opgeven!

Het water: vriend en vijand

Hoe precies het besluit tot stand is gekomen om Leiden te redden door het platteland onder water te zetten, is niet bekend. De Resolutiën of besluiten van de Staten van Holland dateren van net na de cruciale beslissing. Prins Willem van Oranje en landsadvocaat Paulus Buys waren degenen die de zaak hebben doorgedrukt. Met geld was geen hulp meer te halen: de belastingdruk in de Hollandse steden kon niet nog verder verhoogd worden – Holland betaalde al tien keer zoveel voor de eigen vrijheid dan het ooit voor Filips II hoefde op te brengen. Het doorsteken van de dijken was een absolute noodmaatregel, die niet alleen in de vergadering van de Staten moest worden genomen, maar die ook met inzet van de sterke arm in de praktijk moest worden gerealiseerd en… gehandhaafd. Terecht stelde de grote Leidse historicus Johan Huizinga dat alleen ‘het onvergelijkelijk hoge gezag van de prins’ dit dramatisch besluit heeft weten te realiseren. Want dramatisch was het: duizenden hectaren land zouden onder water komen te staan, oogsten zouden verloren gaan, boeren moesten met have en goed een veilig heenkomen zoeken. En… of het succes zou hebben was nog maar de vraag. Op 3 augustus was de aanwezigheid van de prins zelf vereist in Capelle aan de (Hollandse) IJssel, waar de dijken werden doorgegraven. Ook de dijken langs de Maas werden doorgestoken. Tergend lang duurde het voordat eerst alle sloten en vaarten waren volgelopen, voordat het gewone grasland onder water kwam te staan. Tergend lang duurde het voor Delfland en Schieland onder water stonden voordat het water een serieuze bedreiging én bevrijding voor Rijnland kon worden.
        Tegelijkertijd wisten de prins en zijn mannen donders goed dat het water alleen de vijand niet hoefde te verdrijven. Een vloot van platboomde vaartuigen zou nodig zijn, bewapend zo mogelijk met klein geschut, om de vijand in zijn stellingen aan te vallen. De leiding werd toevertrouwd aan Louis de Boisot, opnieuw een Zuidnederlands edelman, maar een geus van het eerste uur. Hij had in februari van dat jaar in Zeeland het koningsgezinde Middelburg op de knieën gekregen en op 30 mei een overwinning behaald op de vloot van Antwerpen. Dus de juiste man op de juiste plaats. Eind augustus kwam Boisot met zijn Zeeuwse manschappen in Rotterdam aan, en deze ‘wilde geuzen’ deden de brave inwoners haast verschieten van schrik. Zij zagen eruit als desperado’s en droegen een ‘geuzenpenning’ in de vorm van een halve maan, met het opschrift: ‘liever Turcx dan Paus’. Maar alleen met zulke ruwe vechtersbazen kon de vijand worden aangetast. En Noyelles, de voormalige gouverneur van Leiden die door burgemeesters van zijn taak was ontheven, stond aan het hoofd van Waalse en Franse soldaten. Tussen Delfland en Schieland enerzijds en Rijnland anderzijds lag letterlijk een obstakel: de Landscheiding. En achter de Landscheiding lagen parallel nog eens twee hoge wegen: de Groeneweg en de Voorweg. In een bittere en verbeten strijd lukte het de opstandelingen om de Landscheiding te bezetten en door te graven. Het enorme krijgsrumoer op die 11de september had de stad bereikt en er daar de moed in gehouden. Maar na de inname van de Landscheiding moesten Boisot en zijn mannen erkennen dat deze overwinning de bevrijding van Leiden niet dichterbij hoefde te brengen. De Landscheiding was van hen, en ook de Groeneweg was voor de geuzen, maar Valdez had zich des te steviger op de Voorweg verschanst. Hevige gevechten volgden, waarbij de geuzen moesten afdruipen. Valdez zelf schreef dat hij zulk hevig vechten sinds 1546 in de strijd tegen de Duitse protestanten niet meer had meegemaakt. De dag van de nederlaag was inmiddels 17 september – hield de stad het nog?

Door de linies

Nieuw beraad was noodzakelijk. Pramen met lichte kanonnen vormden een soort primitieve kanonneerboten, maar zij konden alleen door sloten en vaarten varen, want op het ondergelopen weiland liepen zij zeker aan de grond. Het is merkwaardig dat in die gecompliceerde geografische situatie, waarvoor kennis van de omgeving zo belangrijk was, een Mechelaar de uitkomst heeft gewezen. Zijn naam was Pieter Wasteel, hij was pensionaris van Mechelen geweest, en hij was de Opstand en de prins toegedaan en door deze als militair adviseur in dienst genomen. Hij trok de streek in en vond een aantal mannen die vertrouwd waren met de omgeving. Hij troonde hen mee om de bevelhebbers van de geuzenvloot de weg te wijzen. Juist omdat Valdez zich op de Voorweg had genesteld en geen aanvallen elders verwachtte, adviseerden deze mannen uit de streek om via Schieland naar het noorden te trekken, juist omdat daar de vaarten noord-zuid liepen en het water er al hoger stond. Een verkenningseskader onder leiding van Boisot en edellieden die zich deze kans niet wilden laten ontgaan, trok erop uit in de hoop dat de gidsen gelijk hadden. En zij hadden gelijk! Al op 19 en 20 september hadden zij de omtrekkende beweging om de hoofdmacht van Valdez gemaakt en de dijk van Rijnland bereikt, die onmiddellijk werd doorgegraven. Het water zocht zich onmiddellijk een weg en hoewel de verkenningseenheid niet talrijk was, werden links en rechts schansen opgericht in de hoop dat de verrassingsaanval de Spanjaarden de lust zou benemen om met kracht te reageren. De hoofdmacht van de geuzen, onder leiding van kapitein de La Garde, volgde op afstand zo goed en zo kwaad als dat ging - met de nadruk op kwaad want het was met zo’n ratjetoe aan boten en bootjes een heel gemanoeuvreer om de juiste weg te vinden en zoiets als een verband te bewaren. Gelukkig leden de koninklijke troepen aan dezelfde kwaal.
        Het is niet nodig - en voor mensen die niet in Leiden of omgeving wonen moeilijk te volgen - om alle bijzonderheden van bezette dijken, verlaten schansen, verdachte boerderijen, ontruimde of in brand geschoten dorpen te vermelden. Wat telt is dat het nog tergend lang duurde, voor het water zo hoog stond dat de schepen Leiden konden bereiken. Een groot geluk voor de Leidenaren en de bevrijders was dat de vijand zich ook bij het langzaam stijgende water al niet meer veilig voelde. Militair gesproken was er voor een vertrek nog geen noodzaak – de Spanjaarden hadden het op verschillende punten de bevrijdingstroepen nog heel lastig, misschien wel onmogelijk kunnen maken om de stad te bevrijden. ‘Ons onland’, zo noemde Robert Fruin treffend de sacrosancte regio van Leiden.
        Tien dagen hadden de geuzen nog nodig om Rijnland door te komen en het laatste obstakel te nemen: de Lammenschans. Dit fort beheerste de vaart van Zoeterwoude naar Leiden en die vaart was nodig om de schepen met krijgsvolk en mondvoorraad in Leiden te brengen. Bij een geplande aanval zou Boisot er veel baat bij hebben als de inwoners van de stad een uitval richting Lammenschans zouden doen, waardoor de vijand in de tang zou komen te zitten. Per postduif bracht Boisot zijn verzoek over. Maar het duifje raakte de weg kwijt en toen Boisot zijn aanval waagde, volgde er niets van de kant van de stad. Wel toonde Leiden met haar vlaggen dat het nog altijd volhield! Het duifje kwam achteraf toch nog terecht en het briefje van Boisot behoort tot de relieken van het Leids beleg en ontzet. Maar Valdez was de strijd tegen de Hollandse elementen meer dan zat. Op 2 oktober gaf hij het bevel aan de bevelvoerder van de Lammenschans, kapitein Borja, om de schans te verlaten. Die gaf gehoor aan deze order en ruimde het fort in de nacht van 2 op 3 oktober.

 

Het befaamde briefje van Boisot, Stedelijk Museum de Lakenhal, Leiden. Stadssecretaris Jan van Hout schreef later een gedicht over de duiven: Opte Duyfkens de blijde tijdinge brengende vant Leytsche ontset (1574).  

Bolwerk der vrijheid

Zou het toeval zijn geweest dat 3 oktober op een zondag viel? In de vroege ochtend zou de Lammenschans moeten worden aangevallen en er heerste een stilte die veel onheil voorspelde. Lokte de vijand soms de komst van de burgers uit? Maar een Leidse straatjongen had gezien dat een lange rij van fakkels uit de Lammenschans naar Leiderdorp was gegaan. Hij wilde best, als hij daarvoor wat geld kreeg tenminste, eens gaan kijken. Met ingehouden adem zagen de burgers toe hoe het joch naar het fort liep, erin verdween, en – weer tevoorschijn kwam, zwaaiend met zijn muts! Hij had gelijk – de vijand had het veld geruimd, of liever gezegd, het land aan het water en Leiden gelaten. Snel haastten de burgers zich ook naar de schans en aan de andere kant daarvan zagen ze de boten van Boisot naderen. Ongeloof en opluchting maakten zich meester van de Leidenaren, angsten en vrezen vielen na een jaar ontberingen van hen af. Langs de vaart glibberden ze ontdaan de bevrijders tegemoet om tenslotte door het water te waden en aan boord van de boten zelf te gaan. Leiden was bevrijd!
        De Koepoort – och, hoe heeft men deze ooit af kunnen breken – was de toegangspoort van verlossing en voedsel. De Vlietbrug de plek waar de onbeschrijfelijkste tonelen zich voordeden zoals Nederland ze pas in mei 1945 weer zou beleven. De uitgemergelde bevolking, op de proef gesteld door de honger en de stress die bijna een jaar lang hadden geduurd, zag zich nu beloond voor haar volharding, wie weet hoe vaak tegen eigen twijfel in. Maar men had volgehouden en gewonnen. Haring en wittebrood waren er in overvloed om de eerste honger te stillen. Nog diezelfde zondag kwamen tallozen in de kerken bijeen om de ‘potentaet der potentaeten’, de Heer der heerscharen voor de bevrijding te danken.
        Behalve Lammenschans ontruimden de Spanjaarden diezelfde dag nog Leiderdorp en Alphen aan den Rijn, waarom maanden eerder zo hard was gevochten. Dezelfde dag nog bereikte het bericht van Leidens verlossing de prins van Oranje, die net de dienst bijwoonde in de Waalse kerk aan zijn prinsenhof. De predikant mocht het bericht onmiddellijk voorlezen en ook heel Delft deelde in de vreugde van Leiden – ongetwijfeld was Delft aan de beurt geweest als Leiden het hoofd op het schavot had moeten leggen.
        In de avond van 4 oktober kwam de prins zelf naar Leiden. Hij logeerde er bij een welgesteld burger, die geen deel uitmaakte van de stadsregering. Zo toonde de prins zijn wil om onafhankelijk te blijven van het zittende bestuur, dat op tal van burgers zo’n incompetente indruk had gemaakt. Tien dagen waren nodig om orde op zaken te stellen. In de eerste plaats werd Leiden als garnizoensplaats versterkt om te voorkomen dat de vijand het wagen zou het ooit nog een keer te beginnen. Bovendien ‘verzette’ de prins de wet. Dat wil zeggen dat hij het stadsbestuur reorganiseerde en nieuwe mensen benoemde, grotendeels naar eigen inzichten en ongetwijfeld na advies te hebben gevraagd aan de mannen die zijn steunpilaren waren: Jacob en Jan van der Does. En toch… de prins veranderde met mate: de helft uit de veertigraad werd vervangen, de helft van de burgemeesters. Als er nadien kritiek kwam op het handelen van de prins, dan kwam dat omdat hij niet hard genoeg veranderde, maar er de voorkeur aan gaf genade voor recht te laten gelden en liever met halve dwarsliggers verder te gaan dan een persoonlijk gouvernement te voeren.

Kookpot, 16de eeuw, Stedelijk Museum de Lakenhal, Leiden. Volgens de overlevering vonden de Leidenaren op de door de Spanjaarden verlaten Lammenschans een ketel met hutspot.  

Een jaar later richtten de Staten van Holland en de prins van Oranje een universiteit op, nota bene op naam van Filips II. Volgens een oud fabeltje zou de stad als beloning voor haar dapperheid de keuze hebben gekregen tussen een universiteit of gedeeltelijke vrijdom van belasting. Niet uit idealisme, maar uit zakelijkheid zou de stad hebben gekozen voor een universiteit. Want in tijden van bezuinigingen zou een belastingvrijstelling toch wel weer sneuvelen, terwijl de Staten niet zo gauw een universiteit zouden opheffen. De besluiten van de Staten van Holland en die van de stad Leiden zijn echter vrij volledig overgeleverd en nergens wordt er ook maar iets vermeld van deze keuzemogelijkheid. De eerste die het bericht vermeldde was Pieter Corneliszoon Hooft, die meer dan een halve eeuw na het beleg schreef. De universiteit kwam er en bleef er en viert met de stad ieder jaar Leidens Ontzet.

Anton van der Lem

Digitaal beschikbare werken

Jan van Hout, Opte Duyfkens de blijde tijdinge brengende vant Leytsche ontset (1574)

Jan van Hout, Steen voor het Leidse stadhuis (1577-1578), op de site van de DBNL.

Jan van Hout, Opt ontset van Leyden. Lofsang (1602), op de site van de DBNL.

 

Literatuur

Zie ook: Leiden

Deze schets is voornamelijk gebaseerd op: Robert Fruin, Het beleg en ontzet der stad leiden in 1574 ('s-Gravenhage, 1874), aangevuld met J. Huizinga, Leiden's Ontzet, De Gids 110 (1946) IV, 6-15, herdrukt in: idem, Verzamelde Werken (Haarlem, 1948) I, 50-59 en Johan Koppenol (ed.), Het Leids ontzet : 3 oktober 1574 door de ogen van tijdgenoten (Amsterdam, 2002)

Last Modified: 12-6-2014 16:31