Navigate Up
Sign In
Leiden University

De hertog van Alva aan Filips II

31 oktober 1569

Alva legt de koning uit waarom hij genoegen neemt met een afkoopsom voor de Tiende Penning

Nederlandse vertaling

Sire,

Zoals ik Uwe Majesteit al eerder meldde, koesterde ik de hoop dat het akkoord getekend door de Staten van deze landen ten dienste van Uwe Majesteit zou zijn en dat handel en nijverheid in stand zouden blijven als gevolg van de verzachting die ik in het voorstel zou aanbrengen. Ook Uwe Majesteit gelastte mij daarop acht te geven in Uw brief van de 8e augustus. Het akkoord betreffende de honderdste penning is tot stand gekomen in de vorm die ik hier gedrukt en wel Uwe Majesteit doe toekomen. De eis van de tiende en twintigste penning op koopwaren heb ik voor de tijd van zes jaar gewijzigd door die te kapitaliseren in een jaarlijkse hoofdsom. Momenteel onderhandel ik daarover met de Staten. Ik zal Uwe Majesteit berichten over de voortgang op de weg, die na veel wikken en wegen is uitgestippeld, zodat ik hoop, dat voor Uwe Majesteit al het mogelijke gedaan is en dat U zult bemerken hoeveel dienaren U hier heeft.
          Aangezien het hoognodige geld mij ontbrak om aan een plotselinge invasie van buitenaf het hoofd te kunnen bieden, heb ik, in plaats van hun ditmaal nog meer te vragen, een extra honderdste penning gevraagd, te betalen aan het einde van genoemde termijn van zes jaar. Ik heb daaraan de voorwaarde verbonden, dat zij, als er een vijandelijke inval met een staand leger zou plaatsvinden, hun verplichtingen in een eerder stadium zouden moeten nakomen, zoals Uwe Majesteit in het bijzonder zal kunnen zien door de kopie van genoemd vorostel. Dit heb ik niet gedaan zonder tevoren langdurig en goed te overleggen met de voornaamste dienaren in dit land, met name met diegenen die door ervaring beter op de hoogte zijn van de macht der genoemde Staten, en zij hebben daarbij de grootst mogelijke toewijding getoond. Maar om verscheidene redenen die zij mij uiteengezet hebben, hebben zij het geenszins raadzaam geoordeeld voor Uwe Majesteit nu nog meer tevragen. Ook al waren sommigen niet bevreesd dat het niet gelukken zou, zij vonden allen, en zo ook ik, dat het beter is een flinke som binnen te krijgen zonder dat de onderdanen al te veel tegensputteren, dan hen te dwingen tot het onmogelijke en voor een wat grotere som hun genegenheid te verspelen. Daar, naar mijn oordeel, genoemd voorstel haalbaar is, zal Uwe Majesteit volop aanleiding hebben tevereden te zijn en deze landen lief te hebben en in dezelfde mate te beminnen als in vroeger tijden, voordat door de eerzucht en de misbruiken van enkele leidende figuren er onenigheid gerezen is, die, God zij dank, van dag tot dag in betekenis afneemt.
          Dit voorstel is alleen gericht tot die Staten die gewoon waren bij te dragen en tot welke het eerder gedane verzoek gericht was. Het ligt echter in mijn voornemen mij ook tot de andere gebieden, zoals Gelderland, Friesland enzovoorts te richten, opdat ook zij het hunne doen, en daar zij gemeenschappelijk profiteren van de algemene verdediging in oorlogstijd, zoals men dagelijks ervaart, is het volkomen redelijk, dat ook zij helpen de kosten te dragen; zijnde op heden mijns inziens de omstandigheden uiterst geschikt om hen daartoe te brengen, waartoe enige instructies reeds aan de heer van Megen gezonden zijn. Hoewel het bedrag gering is in vergelijking met het andere bedrag, zal het, hoe weinig het zal zijn, goed van pas komen, daar dit land in een toestand verkeert – het is Uwe Majesteit door zijn grote wijsheid en ervaring bekend – waarin veel geld nodig is om in alles naar behoren te voorzien.

Uit: Ferdinand Grapperhaus, Alva en de Tiende Penning (Zutphen: De Walburg Pers, 1984), p. 152-153 (met dank aan de auteur en de uitgeverij voor hun welwillende toestemming).

Last Modified: 5-12-2013 16:18