Navigate Up
Sign In
Leiden University

De Clage vanden inquisiteur, meester Pieter Titelmanus (omstreeks oktober 1566)

Exemplaar Centrale Bibliotheek Rijksuniversiteit Gent: Gent. 278(1).  

Inleiding

Van Vaernewijck (1518-1569) was een telg van een oud Gents patriciërsgeslacht. Een dertigtal werken wordt aan hem toegeschreven, waaronder Die Historie van Belgis, 1574.  Hij bekleedde allerlei overheidsfuncties te Gent en reisde naar Italië, Oostenrijk, Zwitserland, Duitsland en de Staatse Nederlanden. Hij stond als een gematigd katholiek bekend en zijn dagboek over de gebeurtenissen te Gent wordt in het algemeen als betrouwbaar beschouwd.1
In dit dagboek staat een adieulied, waarin afscheid werd genomen van de gevreesde inquisiteur Titelmans, de deken van Ronse. Van Vaernewijck schetst de inhoud van het hele lied en vermeldt daarbij zoveel details, dat het mogelijk wordt om zijn bron thuis te brengen. Hieronder volgt zijn tekst in vertaling:

Rond 6 oktober 1566 publiceerden de geuzen, die in de buurt van Gent preekten op hun gewone plaats, namelijk bij of naast het kartuizersklooster, bepaalde liedjes en balladen waarin ze de draak staken met de geestelijkheid, de paus van Rome enz. Een ervan was een klaagzang of elegie in het Nederlands van zestien strofen van telkens dertien versregels, die magister Pieter Titelmans, deken van Ronse, in de mond waren gelegd. Daarin beklaagde deze inquisiteur de ondergang van zijn tiranniek en inhalig ambt, dat hij vierentwintig jaar lang had uitgeoefend. Hij zegt dat hij er wel duizend heeft laten terechtstellen en er meer dan tweeduizend heeft beboet, dat hij er honderdduizend heeft doen emigreren en dat hij het liefst te Milaan zou zijn bij kardinaal Granvelle. Hij neemt afscheid van de mis, de bedevaarten, uitvaarten, metten en overige getijden, ook van de klokkenluiders, beiaardiers, muzikanten, koorzangers en relikwieënventers, zoals men die noemt, neemt ook afscheid van het Salve Regina en het Requiescant in pace. Hij vertelt hoe Vlaanderen door zijn toedoen beroofd werd van zijn rijkdom en nijverheid. Hij neemt ook afscheid van de geile vader, kardinalen, bisschoppen, de vadsige abten en hoge prelaten, die in grote onkuisheid leven onder de schijn van deugdzaamheid. Hij maakt ook duidelijk dat hij bij de koning in- en uitliep tot ergernis van Oranje, Egmond en van andere prinsen en heren. Voorts richt hij zich tot nonnen, begijnen, abdissen, monniken, carmelieten-die-fijne-jongens, de meerwaardige dominicanen, wellustige losbollen, augustijnen, minderbroeders, kluizenaars, cellebroeders, pastoors, kapelaans, kosters enz. met de oproep om in tranen uit te barsten, omdat het trotse Babylon bijna ten onder is gegaan en zijn zilver in schuim is veranderd. Degene die deze valse leer tot stand heeft gebracht, is de derde paus, namelijk de kardinaal van Mechelen. Hij zegt aju paraplu tegen de sofist van Rome en tegen de tweede paus van Lotharingen. Ajuus, zegt hij tegen mr. Nicolaas de Hondt, promotor iustitiae en diens zoon; tegen Pieter, zijn klerk; tegen de kanunniken; tegen zijn tirannieke plaatsvervangers; tegen pater Ruffelaert te Gent, tegen pater Karel Wijcke; tegen pater Cornelis te Brugge, die de vrouwtjes geselde; tegen pater Pieter de Backere; tegen Joris van Hol, die zijn eigen vrouw in het nauw bracht; tegen meester Hans vanden Berghe, de beul van Gent; tegen meester Malen [de beul?] te Brugge; tegen meester Joris [de beul?] te Ieper en tegen de justitieambtenaren, die om financieel gewin de uitverkorenen tot de bedelstaf hebben gebracht. Hij heeft die uitverkorenen laten verbranden tot op het bot, hen in een zak gestopt of verdronken.
De geuzen hadden Titelmans deze problemen bezorgd en indien God hem niet van zijn zonden wil ontslaan, zal de hel zijn vagevuur zijn.
Dit katern werd gepubliceerd zonder de naam van de auteur of de uitgever.

Zoals de lezer merkt: Van Vaernewijck geeft hier zoveel details over één bepaalde klaagzang, dat het bestaan ervan niet in twijfel kan worden getrokken. Wanneer zo'n lied als een afzonderlijke publicatie is verspreid, bestaat er niet veel kans dat er een exemplaar van is overgeleverd. Om te beginnen kan de oplage ervan niet hoog zijn geweest, want het lied moest snel worden gedrukt en verspreid: voordat de overheid er lucht van kreeg en de drukker kon opsporen. Hoe kleiner de oplage, des te sneller er iets anders onder de pers kon worden gelegd en dus des te minder kans dat de daders op heterdaad werden betrapt. Ondanks deze ongunstige voorwaarden voor de overlevering, is het toch gelukt om de hand op een gedrukt exemplaar te leggen. Waarschijnlijk is het een unicum. Het bevindt zich in de Centrale Bibliotheek Rijksuniversiteit Gent, onder signatuur: Gent. 278(1). Bij mijn weten is de tekst niet bekend, ook nooit eerder uitgegeven. In de catalogus van Machiels vond ik dat het pamflet zou zijn gedrukt te Gent bij Ghis. Manilius. Machiels noemt de naam van die drukker op gezag van F. Vanderhaeghen. De tekst is gedrukt op een half katern in octavo.2 Het moet een goedkoop product zijn geweest.
Wie de tekst leest, zal vaststellen dat Van Vaernewijck de inhoud goed heeft weergegeven, zij het dat hij zich zozeer liet meeslepen door het satirische karakter, dat hij er hier en daar nog een schepje bovenop deed. Het adieulied zelf is in de rederijkerstrant van toen geschreven, met veel stoplappen en bastaardwoorden. Het is duidelijk geen literair en taalkundig meesterwerk, maar het zijn vooral de toespelingen op historische personen en gebeurtenissen die het zijn waarde geven.

1. Zie over Van Vaernewijck:
M. Beyaert: 'Opkomst en bloei van de Gentse rederijkerskamer Maria Theeren'. In: Kunsthistorisch Jaarboek voor de provincie Oost-Vlaanderen 7 (1978) p. 9-25, 61-63, 106-107;
Nationaal biografisch woordenboek
8 (1979), kol. 795-809;
M. Keymeulen-Crommelbinck: 'Marcus van Vaernewijck, een schets'. In: De Koninklijke en aloude rederijkerskamer Mariakring - Marien Theeren in het Gentse stadsbeeld. Red. P. Bourgonjon e.a. Gent, 1988, p. 79-86;
W.L. Braekman: 'Marcus van Vaernewijcks Catechismus der Minne'. In: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1989, p. 1-78.

2. Catalogus van de boeken gedrukt voor 1600 aanwezig op de Centrale Bibliotheek van de Rijksuniversiteit Gent. Ed. J. Machiels. 2 dln. Gent, 1979. Zie dl. 2, T nr. 256.

Verantwoording transcriptie

De u/v en i/j-spelling zijn aan het moderne Nederlandse gebruik aangepast. Afkortingen zijn stilzwijgend opgelost.Toevoegingen van de tekstbezorger staan tussen vierkante haken.

  Karel Bostoen

[fol. A1r]

De claghe vanden Inquisiteur, Meester Pieter Titelmanus, Deken van Ronche.

Ic alendich Inquisiteur/ ten dezen stonden/ waer[1]
Van mynen God[2] verlaten/ een machtich Heere
Papa pater patrum/[3] ic moet vermonden/ claer[4]

Ja thooft van alle/ Ipocryten bevonden/ zwaer[5]
Die Christus gelijcformich/ wil sijn tallen keere
Twerc der ootmoedicheit/ en prijst hi niet zeere
Maer soect heerschappie/ met geveinsde practijc[ke]
[6]
Zijn insetten[7] stelde hi/ boven Christus leere
Met den cleede Christi/ verheft hy hem publijcke
[8]
Balaams ghescrey[9]/ leert hi aerme en rijcke
Sijn sophisten[10] alle/ hi Beli tvermaen[11]/ doet
Staet claer beschreven/ rein sonder swijcke[12]

Dat sulck een rijcke[13] bin een ure vergaen/ moet.

Dezen hebbic gedient/ die dagen mijns leven vranc[14]
By rade[15] ghecreghen/ een valsch Officie[16]
De cromme mutse dragers/[17] hebben mi verheven/ stranc[18]
Duer den Paus sijn mi/ previlegen gegeven/ cranc[19]
dat ic mochte dooden branden/ ofte doen composicie[20]
Ic was heesscer[21] en Juge/ duer placaets malicie[22]
Wien ick gecreech/ in mijn tyrannighe handen
Vernam ick van rijcdom/ eenighe suspicie
Dien dedick versmooren[23] ofte haest verbranden
[fol. A1v] Ic was crachtich ontsien/ in dees vlaemsch landen
Duer papa den hantebay/ of Sodomijtscen prelaet[24]

Ick neme toirconden/[25] alle rijpe verstanden
Sietmen niet haest vallen/ die waent dat hi vaste staet

Alle die Paus leeringe/ niet wilden hantieren/ hier
Socht ick te vangene/ en te stellen in prysoen
Die Christus waerheit/ wilden alegieren[26]/ fier
Ic vijncse[27] teghen recht/ ick dese[28] purgieren schier
Van lijf/ ende goede/ naer mijn selfs bevroen
De sulcke gheesseldick/ met menichte van roen
Tot dat si afstonden/ van huer opinie gepresen
Ja wasser yemandt/ diet niet en wilde doen
Was duer mijn placaet/ tot der doot verwesen
de vette lammerkins/ hielt ick seer verknesen[29]

Ic vlouchse[30] ick schoerse/ vroech ende spade/ siet
Die Testamenten/ of Bybelen wilden lesen
Volghende placaet/[31] daer was gheen genade niet.

Wien ick gecreegh/ al binder ghevanghenisse
dien ghijnck ick stranghelick/ daer examineren
Si saten als schaepkens/ in grooten verlangenisse
Straffelick so vraechdic/ met verstranghenisse
Of zy niet en gheloofden/ al sonder faelgieren
dat Christus inde Messe/ was sonder cesseren[32]

en datmen biechten moet/ voor den priester vercuerlic[33]
Ja dat den Paus thooft is/ was mijn nareren[34]
Van Christus kercke/ hier eeuwich gheduerlick
wie daer neen seide/ die antwoordick stuerlick[35]

dat hij verdomt/ ende eeuwich verloren/ was
[fol. A2r] wie my contradiceerde/ met tormenten doluerlic[36]

Dedic verbranden/ of int water versmoren/ ras

Boven den Coninck was ick/ machtich in ontrauwen[37]
Een Juge sonder bril[38]/ duer des Antecrist doctrine
Ick vergoot tonnoosel bloet/ van mannen ende vrauwen
Die inden Roomschen Paus niet en geloofde ten fine[39]

Dat hi vander sonden/ was een vergever divine[40]
Een Christen vervolgher/ hiet mi tvolc present[41]
dochte my Christus/ een sacraficie te zyne[42]
Ja dat ic weldaet dede/ den hoochsten regent[43]
Ic meende mijn regnacie/ soude niet nemen ent[44]
Ic bleef versteent/ als dongodlicke pleghen snoo
Ick was hoorende doof/ en al siende blent
Om tbloet te stortene/ ick was gheneghen/ zoo.

Vierentwintich jaer/ heeft gheweest mijn regnacie.
Om de schaepkens te vlane/[45] ende te pessequeren
Ic vervolchde d'onnoosele/ met groote turbatie
En ick composeerde[46] de rechtveerdighe natie
de ghiericheit quam mi/ therte inflammeren
Alle die teghen den Paus/ wilden rebelleren
Heb ick meer dan een duust/ gebrocht totter doot
Meer dan twee duust/ mocht icker composeren[47]

wel hondert duust voor my/ uut den lande vloot
Drapiers en cooplieden/ al die mi vreesden groot
fray constige werclieden/ sachmen mi verstoren/ mal
Alle die onnosele die leefden/ na tevangelium milioot[48]

de vette die dode ic de mager hebbic geschoren/ al

[fol.A2v] Ic allendich Inquisiteur/ hoe sal ic mi generen[49]
Ic was gheextimeert/ voor een grooten vassael
De scaepkins willen nu/ den wulf selve scheeren
die lammers verjagen nu/ de draken ende die beeren
Och waer ick te Milanen/ by den Cardinael
Onsen vleeschpot sturt nu/ hier int generael[50]
de Guesen versmaden al/ des Paus ghebodt
Si heeten hem Antecrist/ dat is tprinicipael
die ons beminde/ houden met ons den sot
Si die ons ware cochten/ binnen Babels cot
Versmaden ons coopmanscap/ groot ende cleine vroet[51]
Met ons crachtighen wijn/ houden si den spot
Ende prysen nu over al/ de claer fonteine/ soet.

Adieu heilige moeder[52]/ ic moet u minen noot claghen
Ons geveinstheit es nu/ duer de Guesen ontdect
Si grimmen op mi/[53] si willen mi ter doot/ jagen
Na Tevangelium/ nu cleen en groot/ vraghen
Adieu moeder hoe sijt/ ghi nu dus geghect
Adieu messe ghy sijt/ alle de Guesen suspect
Adieu bevaerden/ uutvaerden/ ghi sijt nu tondere[54]
Adieu matten[55]/ ghetyde/ met placebo[56] vertrect
Adieu clocluuders/ beyaerds/ an elcken bizondere
Adieu musicienen/ coralen/[57] ic bens een orcondere[58]
Adieu muulstooters/[59] met u bedriechlicke ware
Ic allendich Inquisiteur/ bem een vermondere[60]
Dat ghemeenen rauwe/ coelt[61] wel te gare.

Adieu Cardinael ghy waert mijn overhooft
Adieu Pater santy[62]/ opgeblasen puust afgriselic
[fol. A3r] Vlaendren is by naer/ eylaes duer my verdooft[63]
Van rijcdom/ neeringhe/ seere by[64] berooft
Inde Spaensche Inquisitie/ verblydic mi Joliselic
Minen moet verhief hem/ in ghiericheit onwyselic
Tot dat de Guesen/ ons wederstonden gestadich
dies segghick allendich/ mensche verknyselick[65]
Adieu Salve Regine/ waer loopick beladich[66]
adieu requiescant in pace/ ghi sijt elken versmadig[67]
Niemant sal mi gheven/ dien ic om broot/ spreke
Adieu Roomschen Sodomijt[68]/ sijt mijns beradig
de spaensce Inquisitie/ doet mi die doot/ steke

Adieu leghen vadere/[69] die hem so hooge verhief
Boven God inden tempel/ adieu ic moet u laten
adieu cardinaels/ bisscops/ noyt meerder messcief[70]
Luther en dede ons/ noyt sulck een grief
Adieu Abten en Proosten/ die so leckerlick aten
En in geveinsde helicheit/ leefden seer infame
In groote luxurie/[71] adieu hooghe Prelaten
In scijntsel van duechden/ maer therte vul blame
Adieu Pater santy/ adieu uwen heligen name
En is niet meer geacht/ adieu wat u nu geschiet
Ick mach wel segghen/ tot uwer onvrame[72]
ghi waert so hoverdich/ ghi en kendet u selven niet

Eylaes ick alendich/ kativich meinsche/ fel
Comt doot en wilt mi/ dat herte breken
Nerghens anders naer/ ick niet en weinsche/ el[73]
ic ben tverloren kint/ dies blyve ick deinsche[74]/ wel
[fol. A3v] Comt berghen bedect mi/ rasch onbesweken
Ic en vraechde niemant/ als ick wilde spreken
den Coninc Philippus/ om mijn noots versinnen
Vrymoedich in sijn camer/ bem[75] ick ghestreken
Spijts Oraengne/ Egmont/ ic trocker binnen
Waer haelick nu troost/ om mijns ghewinnen
Comt doots morseel[76]/ wilt op mi onbeswaert daken[77]
Schreit/ weent met mi/ ghi papisten uut minnen
die Christum dagelicx/ eenen vlassen baert/ maken[78] .

Weent schreit huult nonnekins/ ende bagynen/ ghi
Abdessen Religieusen/ goet gheselle Carmelijt
weent Sellebroers/[79] comt doveerdige Jacopinen/[80] bi
Luxurieuse putieren/[81] schreit Augustinen/ vry
Schreit Minnebroers/ die maken den ypocrijt[82]
Screit Clusenaers/ screit die maect den hermijt
Ghi hebt alle gedroncken/ van den oncuuscen wijne
Screit Pastoors/ Capelaens/ schreit die costers sijt
Si[83] is bicans verwoest/ ten desen termine
Haer silver is schuum/ [84]bedeghen en huer corael
Die ons ghebauwen heeft/ dese valsche doctrine
dats den derden Paus/ den Mechelschen Cardinael[85] .

Adieu Roomsche sophiste/ adieu roupic seer bevreest
Adieu tweeden Paus/ van Lotrijc[86] ydoone[87]
Cardinael van Mechelen/ adieu heiligen geest[88]
Geveinsde ypocriten/ binnen tsweerelts foreest[89]
Adieu moorders van sielen onder shemels troone
Adieu meester Clays/ mijn Prometeur/[90] mijn sone
[fol. A4r] Adieu Pieter minen clerc/ en schriver eerbaerlic[91]
Babilon is ghevallen/ en huer vergulden croone
Adieu Canoniken/ die in weelde saten claerlick
Die hoere zeyde ons/ met woorden onbeswaerlic
Dat zy gheen weduwe/ soude sijn ongheloghen
Ende ons niet verlaten/ dat sprac si eenpaerlick
Maer die sulcke waent/[92] vint hem haest bedroghen

Adieu an alle mijn/ Tirannighe subsetuten[93]
Adieu broeder Rufelare/ wonende binnen Ghendt[94]
Adieu broer Karels Wijcke trect met mi in muten[95]
Adieu broer Cornelis/ inde Brussce besluten[96]
die de vraukens geesselde/ die ons waren in obedient[97]
Adieu broer Pieter de Backer/[98] mi seer deligent
Om tbloet te verghietene/ ende te doen ontliven
Adieu Jorken van Hol[99]/ die u wijf brocht in torment
Om dat zy in paus leere/ niet en wilde bliven
Uwen getrauwen dienst/ is niet om vul schriven
Dien ic tander tyden/ an u hebbe bevonden
Maer nu moeten wy sceen duer ons valsch bedriven
Dit beclaghic daghlicx/ ten diveersche stonden.

Adieu Meester Hans van Ghent/ scherprechter beseven/[100] plat
Die my ghedient hebt/ tmijnder contemplatie
Adieu meester Malen[101]/ in Brugge de verheven/ stad
Gave mi god den tijt/ dat ic mochte beteren tleven wat
Tware voor mi/ een uutnemende gratie
Adieu Meester Joris in Dypersche habitatie[102]
Adieu Souvereins dienaers/ groet ende cleene
Die om schandelic gewin/ brochten in desolatie
[fol. A4v] de uutvercoren kinderen/ in grooten weene
die ick ghebrant hebbe/ tot den naecten beene
Waer duer gods toren/ sal op my haest welven
Hebbic gheen deel/ met Christum van Nazareene
Wien wil ic dat wyten/ anders dan my zelven.

Adieu dits eenen orlof/[103] met zeer drouver herten
An alle Sophisten/ blent verhert opstinaet
Ick aermen Inquisituer/ lyde nu groote smerte
de Guesen hebben mi/ gedaen dese perten
Adieu Papa pater patrum/ met uwen geveinsden staet
Keert u tot Christum of ghi blijft in gods verwaet[104]
En alle die onder Babilon haer woonste maken
Waer ic troost soucke/ ic en vinde nergens raet
Eylacen Grandvelle gheeft raet in mijn saken
Dat ic my noeyt en stelde/ om bernen en blaken[105]
Ende so ghedient was/[106] den Roomschen princhier[107]
Wil mi den Heere God/ niet van sonden slaken[108]
So duchtic de helle/ die wert mijn Vaghevier.

Finis.



[1] waer: zwerf rond, dool rond

[2] mynen God: de paus

[3] Papa pater patrum: de paus, der vaderen vader

[4] ic moet vermonden/ claer: ik moet het duidelijk zeggen

[5] bevonden/ zwaer: is hier praktisch betekenisloos (stoplap)

[6] met geveinsde practijc[ke]: door het bedrijven van schijnheilige daden

[7] Zijn insetten: het invoeren van zijn verordeningen

[8] publijcke: publiekelijk, in het openbaar

[9] Balaams ghescrey: het geschreeuw van een valse profeet (Balaäm had volgens de joodse tradities Balak op het idee gebracht om de Israëlieten tot afgoderij te verleiden met behulp van de `de dochters van Moab')

[10] Sijn sophisten: zijn verkondigers van een dwaalleer, namelijk zijn priesters

[11] Beli tvermaen doet: geeft hij onderrichting, afkomstig van Belial, een aanvoerder der duivels

[12] sonder swijcke: zonder mankeren (stoplap)

[13] rijcke: koninkrij

[14] vranc: oprecht (bijwoordel. bepaling bij gedient)

[15] By rade: op een doordachte manier

[16] Officie: ambt

[17] De cromme mutse dragers: de doctors in de theologie?

[18] verheven/ stranc: flink op de voorgrond geplaatst

[19] previlegen ... cranc: privileges die weinig effect hadden

[20] doen composicie: afkoop van straf regelen

[21] heesscer: eiser, aanklager

[22] duer placaets malicie: ten gevolge van de kwaadaardigheid van het plakkaat tegen de ketters

[23] versmooren: verdrinken

[24] papa den hantebay/ of Sodomijtscen prelaet: vadertje handneuker of nichtenpaap?

[25] neme toirconden: neem tot getuigen

[26] alegieren: naar voren brengen

[27] Ic vijncse: ik nam hen gevangen

[28] dese: deed hen

[29] hielt ick seer verknesen: had ik stevig in de houdgreep

[30] vlouchse: vlooide hen, plunderde hen

[31] Volghende placaet: op grond van het plakkaat

[32] sonder cesseren: onophoudelijk

[33] vercuerlic: voortreffelijk (stoplap)

[34] was mijn nareren: vertelde ik

[35] stuerlick: boos

[36] met tormenten doluerlic: met pijnlijke folteringen

[37] machtich in ontrauwen: zeer te kwader trouw

[38] sonder bril: die scherp toezicht hield

[39] ten fine: tot op het uiterste

[40] divine: goddelijk

[41] hiet mi tvolc present:: noemde mij het volk hier

[42] dochte my Christus/ een sacraficie te zyne: die vervolging leek mij een offer voor Christus

[43] den hoochsten regent: de hoogste regeerder (hier: God)

[44] versteent: verhard

[45] vlane: villen

[46] composeerde: legde de rechtvaardigen boeten op

[47] composeren: beboeten

[48] milioot: eerwaardig? (Zetfout voor de rederijkersstoplap . minioot. ?)

[49] hoe sal ic mi generen: hoe zal ik in mijn onderhoud voorzien

[50] Onsen vleeschpot sturt nu/ hier int generael: Met ons gaat het over het algemeen hier niet best meer

[51] vroet: oppassend

[52] heilige moeder: de r.k. kerk

[53] grimmen op mi: zijn boos op mij

[54] sijt nu tondere: gij delft nu het onderspit

[55] matten: metten

[56] placebo: woord waarmee de antifoon die bij een lijkdienst wordt gezongen, begint (dus zeer bekend in de r.k. liturgie)

[57] coralen: koorknapen

[58] ic bens een orcondere: ik deel dit mee

[59] muulstooters: handelaars in relikwieën

[60] bem een vermondere: zal het zeggen

[61] coelt: vermindert (betekenis: gedeelde smart is halve smart)

[62] Pater santy: Sancte Pater (Heilige Vader, de titel waarmee de paus wordt aangesproken)

[63] verdooft:geruïneerd

[64] seere by: bijna helemaal

[65] verknyselick: gekweld

[66] waer loopick beladich: waar moet ik met mijn last heen

[67] ghi sijt elken versmadig: door iedereen wordt gij verworpen

[68] Roomschen Sodomijt: bedoeld is de paus

[69] leghen vadere: ijdele, onbeduidende vader (hier tevens woordspeling met Heilige Vader, namelijk de paus)

[70] messcief: ellende

[71] luxurie: onkuisheid

[72] onvrame: verdriet

[73] ick niet en weinsche/ el: ik wens niets anders

[74] deinsche: obscuur, ongunstig bekend?

[75] bem: lees: ben

[76] doots morseel: dood (letterlijk: hapje van de dood)

[77] op mi [...] daken: over mij komen

[78] eenen vlassen baert/ maken: op schijnheilige wijze bedriegen

[79] Sellebroers: cellebroers of alexianen, een congregatie van lekebroeders die leefden naar de regel van Augustinus en die het verplegen van zieken en het begraven van armen als hun voornaamste taak zagen

[80] doveerdige Jacopinen: woordspeling met . d'eerweerdige Jacopinen'? Jacopinen zijn dominicanen, de uitverkoren adviseurs van Titelmans bij het ketterjagen (Zie Decavele dl. 1 (1975), p. 17).

[81] Luxurieuse putieren: wellustige losbollen

[82] maken den ypocrijt: ze hangen de schijnheilige uit

[83] Si: bedoeld is de rooms-katholieke kerk

[84] bedeghen: volgroeid

[85] den Mechelschen Cardinael: Antoine Perrenot (1517-1586), kardinaal van Granvelle, was in 1561 door de paus tot aartsbisschop van Mechelen en tevens tot kardinaal benoemd (Parker 1977, p. 48).

[86] tweeden Paus/ van Lotrijc: bedoeld is Charles de Guise ( 1574), kardinaal van Lotharingen. Na 28 juli 1566 neemt Godevaerd van Haecht in zijn Kroniek een pamflet tegen kardinaal Granvelle op, waarin Charles de Guise als tweede paus wordt genoemd: "[...] ende den cardinael van Lotringen soude wesen paus in Vranckeryck, en genoempt worden Godt den Sone [...]". (Van Haecht dl. 1 (1929), p. 78).

[87] ydoone: liefelijk, prettig

[88] adieu heiligen geest: lijkt te zijn ontleend aan het reeds eerder geciteerde schotschrift tegen Granvelle, die hierin na de paus van Rome en de paus van Frankrijk, de rang bekleedt van . derde paus. of paus van Nederland: . en den paus van Nederlant [soude genoempt worden] Godt den Heylighen Geest. (Van Haecht dl. 1 (1929), p. 78).

[89] tsweerelts foreest: de wereld

[90] meester Clays/ mijn Prometeur/: Nicolas de Hondt (ook: Canis) werkte in de periode van januari 1556 tot april 1566 als promotor iustitiae of aanklager onder Titelmans. Hij woonde tot januari 1566 te Ronse, daarna te Gent (Decavele dl. 1 (1975), p. 15).

[91] Pieter minen clerc/ en schriver eerbaerlic: bedoeld wordt de Kortrijkse notaris Pieter van Hee (ook: van den Heede of Hedanus), de rechterhand van Titelmans in de periode van 17 september 1555 tot 14 juli 1566 (Decavele dl. 1 (1975), p. 15).

[92] sulcke waent: dit soort dingen denkt

[93] subsetuten: substituten, vervangers

[94] broeder Rufelare/ wonende binnen Ghendt: Franciscus Ruffelaert O.P. (1518-1596). Toen de Spaanse soldaten op 23 juni 1568 Gent verlieten, ontvingen ze in het openbaar de zegen en heilwensen van Frans Ruffelaert en van andere dominicanen (Van Vaernewijck dl. 4 (1876), p. 133).

[95] broer Karels Wijcke trect met mi in muten: gaat het om Karel Wicke die kapelaan was te Nieuwkerke bij Belle? Kort nadat deze door Titelmans in april 1560 ter verantwoording was geroepen vanwege zijn heterodoxe opvattingen, vluchtte deze naar Londen (Decavele dl. 1 (1975), p. 397).
in muten: naar een schuilhoek

[96] inde Brussce besluten: in het Brugse perk (dus: te Brugge)

[97] in obedient: inobediënt, ongehoorzaam

[98] broer Pieter de Backer: Pieter de Backere O.P. (1517-1601)

[99] Jorken van Hol: niet gevonden

[100] Meester Hans van Ghent/ scherprechter beseven: Hans vanden Berghe was de beul van Gent (volgens Van Vaernewijck dl. 1, p. 277).

[101] meester Malen: niet gevonden; gezien de context was deze Van Male vermoedelijk de beul van Brugge

[102] Meester Joris in Dypersche habitatie: het gaat hier vermoedelijk om de beul van Ieper

[103] orlof: afscheid

[104] verwaet: veroordeling tot de eeuwige ondergang door God

[105] Dat ic my noeyt en stelde/ om bernen en blaken: omdat ik nooit voorbereidingen trof tot het oprichten van brandstapel

[106] so ghedient was: diende

[107] princhier: vorst

[108] slaken: bevrijden

Last Modified: 31-3-2010 16:56